De zin en onzin van IQ-meting in het onderwijs

Sinds de suggestie om een IQ-meting te integreren in het onderzoek naar gelijke onderwijskansen, is er al heel wat inkt gevloeid bij voor- en tegenstanders. Wij sluiten ons aan bij de opinie van Karine Verschueren (KULeuven) die pleit voor nuance in het debat.

Dat er risico’s verbonden zijn aan het in kaart brengen van cognitieve vaardigheden staat vast. Een meting van cognitieve vaardigheden is inderdaad niet neutraal. Hoewel er geprobeerd wordt om intelligentie zo cultuur-fair mogelijk te testen (zo worden de meest recente instrumenten door taal- en cultuurexperten doorgelicht), is een test nooit helemaal cultuurvrij. Sommige vaardigheden zijn immers erg verweven met cultuur, zoals verworven algemene kennis en woordenschat. Zelfs wanneer cognitieve vaardigheden gemeten worden via het niet-talige kanaal blijft de invloed van cultuur, zowel in positieve als in negatieve zin, een rol spelen. Deze wetenschap mee in rekening brengen bij de interpretatie van de cognitieve vaardigheden is dan ook belangrijk. Dat intelligentiemeting niet neutraal is klopt dus, alleen… dat zijn schoolse en andere metingen ook niet. Schoolse prestaties, maar bijvoorbeeld ook leerlingvolgsystemen, zijn vaak nog meer gevoelig aan de socioculturele status. Een kritische blik op deze algemeen aanvaarde evaluatievormen lijkt ons dan eveneens op zijn plaats.

Een ander risico verbonden aan het in kaart brengen van cognitieve vaardigheden is dat er onterechte conclusies kunnen getrokken worden over het intelligentievermogen van bevolkingsgroepen. In de huidige discussie gaat het over de suggestie dat kinderen met een lagere sociaaleconomische status (SES) een lager IQ zouden hebben. In het verleden werden dezelfde debatten gevoerd over geslachtsverschillen: jongens zijn beter in ruimtelijk inzicht, meisjes zijn beter in het onthouden van talig materiaal. Allemaal resultaten uit onderzoek. Alleen toont datzelfde onderzoek vooral aan dat, als er al verschillen zijn op groepsniveau, deze meestal weinig betekenisvol zijn. De verschillen binnen groepen (bijv. tussen alle jongens of over alle SES-categorieën heen) blijken nog altijd veel groter en betekenisvoller dan de verschillen tussen groepen (bijv. tussen jongens en meisjes of tussen SES-categorieën). Wil dit zeggen dat het in kaart brengen van cognitieve vaardigheden geen meerwaarde kan bieden in de begeleiding van kinderen om hun capaciteiten maximaal te ontplooien? Neen, dat zou een voorbarige conclusie zijn.

Het belangrijkste om mee te nemen in dit debat is dat hét IQ niet direct gemeten kan worden. Enerzijds impliceert dit dat hét cijfer op basis van een IQ-test steeds een schatting is en dat professionelen die een IQ-test afnemen niet één cijfer maar een zone zouden moeten rapporteren waarbinnen het globale intelligentieniveau zich naar alle waarschijnlijkheid bevindt. Anderzijds verwijst het begrip ‘intelligentie’ (de I van IQ) naar een structuur van verschillende cognitieve vaardigheden die, naast vele andere factoren (zoals motivatie, interesses, …), samenwerken om doelen in het leven te bereiken (bijv. het leren lezen, rekenen, succesvol worden in je job, …). Eén cijfer zegt dus zeker niet alles over het potentieel van iemand of welke ondersteuning iemand nodig heeft. Een voorbeeld: kinderen met eenzelfde (geschatte) IQ-cijfer of zone, hebben vaak een heel ander intelligentieprofiel. Het ene kind kan bijvoorbeeld goed aan de slag gaan met reeds geleerd materiaal, maar moet tijd krijgen om dat materiaal aan te leren en eigen te maken. Een ander kind is snel weg met nieuw materiaal, maar kan het niet zo goed vasthouden. Beiden hebben misschien wel hetzelfde IQ-cijfer, of hetzelfde resultaat op een wiskundetoets of…, maar beiden hebben duidelijk heel andere ondersteuning nodig om hun leerkansen maximaal te ontplooien. Naar alle waarschijnlijkheid zullen zij ook andere keuzes maken in hun schoolloopbaan. Zo wordt het eerste kind misschien arts of verpleegkundige, terwijl het tweede kind technieker of ingenieur wordt. Dit wordt beïnvloed door hun profiel in cognitieve vaardigheden, naast andere factoren die een rol spelen. Hét IQ op zich bepaalt dus niet wat iemand kan of niet kan of wat iemand uiteindelijk in zijn leven bereikt, maar cognitieve vaardigheden spelen wél een rol en daarom is het niet juist ze te negeren.

De discussie gaat ons inziens dus niet over veranderbaarheid van het IQ of de voor- of nadelen van een meting van cognitieve vaardigheden, maar wel over wat je ermee doet. Het grote nut van inzicht in cognitieve vaardigheden ligt hem in de aanpak van sterktes en zwaktes in cognitieve vaardigheden bij elk kind. Door hierop in te spelen krijgt het kind of de jongere in kwestie maximale ontwikkelingskansen wat gelijke onderwijskansen (GOK) ten goede komt. Als een kind (met lage SES) laag scoort op een test voor cognitieve vaardigheden (bijv. woordenschat) dan is de discussie over al dan niet fair testen minder relevant. De score duidt vooral aan dat dit kind een leer- of ontwikkelingszorg heeft om optimaal te functioneren in ons onderwijs en dat is wat telt. Inzicht in het cognitief functioneren is dus een middel om GOK te creëren, niet om het te evalueren. Want feit is dat er nu veel potentieel verloren gaat, vooral dan bij kinderen en jongeren met een lagere socioculturele status, omdat (sterk) potentieel van deze kinderen makkelijker over het hoofd wordt gezien. Door het in kaart brengen van cognitieve vaardigheden zomaar van tafel te vegen, doen we deze kinderen eigenlijk veel onrecht aan.

Auteurs: Marlies Tierens & Caroline Dejonghe

Psychodiagnostisch Centrum, Toegepaste Psychologie, Thomas More

DJP

De Jonge Psycholoog is een onafhankelijke website gericht op informatie en actualiteit voor psychologisch geschoolden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *