De verwaarlozing van de psychodiagnostiek

Iedere psycholoog is bekend met het begrip ‘psychodiagnostiek’. Het verwijst naar de leer van het stellen van een diagnose binnen de psychologie. Het is de kunde van het hanteren van een kritisch denkproces in combinatie met het kwalitatief selecteren en toepassen van diagnostisch testmateriaal. Psychodiagnostiek komt neer op het denken en handelen van de klinisch psycholoog als practitioner-scientist.

We merken dat reeds verschillende jaren alarmsignalen worden geuit met betrekking tot de achteruitgang van de diagnostische competentie van Vlaamse psychologen. Onder psychologen in opleiding lijkt psychodiagnostiek in het algemeen minder de voorkeur te genieten – in zekere mate is dit wellicht altijd zo geweest. Ditzelfde fenomeen is voelbaar onder studenten binnen de opleiding toegepaste psychologie, nochtans een opleiding die duidelijk wordt geprofileerd als en gekenmerkt door een duidelijke nadruk op (toegepast) psychodiagnostisch handelen. Nog al te vaak wordt psychodiagnostiek gelijkgesteld aan het afnemen en verwerken van testmateriaal, met een nadruk op statistisch rekenwerk, terwijl diagnostiek veeleer verwijst naar een globaal kritisch denkproces waarbij informatieverzameling en afweging centraal staan. Deze misvatting zal wellicht een rol spelen. Bovendien wordt het beroep van klinisch psycholoog nog al te vaak gelijkgesteld aan de rol van de ‘psycholoog-therapeut’, en neemt de rol van ‘psycholoog-diagnosticus’ een ondergeschikte positie in. Een jammerlijk gevolg hiervan is dat diagnostiek wordt gereduceerd tot ‘het kleine (en misschien ook lastige) broertje van’, en dat relatief weinig afgestudeerde masters bereid zijn om deel te nemen aan postacademische vormingen op vlak van psychodiagnostiek, waar een gebrek aan kandidaten een vaak voorkomend probleem is. Postacademische opleidingen in de psychodiagnostiek zijn überhaupt al eerder zeldzaam. Naast een permanente vorming klinische psychodiagnostiek die interuniversitair wordt georganiseerd door de KUL, UGent en VUB, en een postgraduaat psychodiagnostiek die wordt georganiseerd door de Thomas More hogeschool Antwerpen, houdt het aanbod ongeveer op.

De rol van diagnosticus als practitioner-scientist is nochtans van wezenlijk belang. Het is niet overdreven om te stellen dat psychodiagnostiek het absolute vertrekpunt is van ieder psychologisch behandelproces. Wanneer psychodiagnostiek wordt begrepen als het zoeken van een antwoord op een vraag, en we onderkennen dat iedere patiënt zich ten aanzien van de psycholoog in beginsel steeds aandient als een ‘(hulp)vragende persoon’, dan lijkt het evident dat psychodiagnostische competenties minimaal ontwikkeld moeten zijn bij iedere psycholoog. Het is dan ook betreurenswaardig om vast te stellen dat diagnostiek binnen de verschillende opleidingen een ondergeschikte rol krijgt toebedeeld en dient af te rekenen met een toenemende verzwakking. De onderwijsinstellingen hebben hierin een duidelijke verantwoordelijkheid en moeten zich beraden over de manier waarop zij de opleiding tot (klinisch) psycholoog vormgeven.

De opleiding tot psycholoog is immers het vertrekpunt, en tekortkomingen die hierin te vinden zijn zullen onvermijdelijk worden overgedragen naar het werkveld. Naast een verzwakte positie binnen de opleidingen bevindt psychodiagnostiek zich ook in de praktijk in een benarde positie. In vele ziekenhuizen en CGG’s is psychodiagnostisch materiaal wel aanwezig, maar vaak zijn deze instrumenten hopeloos verouderd. Het diagnostisch instrumentarium is voortdurend in evolutie. Dit noodzaakt zorginstellingen om consistente investeringen te doen om blijvend over een voldoende kwalitatief instrumentarium te beschikken. Vaak is er echter onvoldoende zicht op het meest actuele aanbod. Een bijkomstige moeilijkheid is dat investeringen in diagnostisch materiaal niet gering zijn. Diagnostisch testmateriaal is vaak duur, wat zowel voor zorginstellingen als voor zelfstandige psychologen vaak een grote drempel is. Daarnaast wordt diagnostiek vaak beschouwd als tijdrovend qua afname, scoring, interpretatie en verslaggeving. Toch zijn dit problemen waar voor een groot stuk aan kan worden tegemoet gekomen. Degelijke psychodiagnostische expertise zou zorginstellingen al een heel eind kunnen verder helpen wanneer het gaat over de selectie van degelijke, actuele en financieel verantwoorde middelen. Het feit dat zorginstellingen vaak niet over dergelijke expertise beschikken is een belangrijk pijnpunt dat zo snel mogelijk moet worden verholpen. Ten slotte merken we in de praktijk ook een verschil in positie naargelang de setting:  het valt op dat kinder- en jongerenteams over meer diagnostische instrumenten beschikken dan volwassenenteams. Daarnaast lijkt er onder psychologen die werken met kinderen en jongeren meer bereidheid te zijn om gebruik te maken van dit materiaal om hypothesen tot indicatiestelling en behandeling te ondersteunen. Wat psychologen betreft die werken met volwassenen en ouderen, is een inhaalbeweging noodzakelijk.

Bovenstaande elementen schetsen een beeld waarin de positie van psychodiagnostiek benard is, en waarin een geleidelijke teloorgang van de psychodiagnostische praktijk voelbaar is. Nochtans is er in onze samenleving een toenemende vraag naar psychodiagnostiek vanuit allerlei instanties. Denk bijvoorbeeld aan het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, het RIZIV, het Ministerie van Sociale Voorzorg, diverse ziekenfondsen, enzovoort. Daarnaast zijn het ook collega’s (psychiaters, psycho-therapeuten,…) of de patiënt zelf die vragen naar kwalitatieve diagnostiek. De klinische praktijk snakt naar de diagnostische expertise. Het lijkt me dan ook evident dat er voldoende moet worden geïnvesteerd, zowel academisch als post-academisch, om aan deze vragen tegemoet te komen. Is het immers niet zo dat psychodiagnostiek in de laatste bepalingen omtrent de gezondheidszorgberoepen wordt omschreven als een fundamenteel onderdeel van de beroepsuitoefening van de klinisch psycholoog?

In de eerste plaats moeten de onderwijsinstellingen en de klinische praktijk zich beraden over de positie van psychodiagnostiek in de opleiding en het werkveld. Persoonlijk lijkt het me noodzakelijk dat er een gezond en duidelijk evenwicht is tussen basisdiagnostiek en gespecialiseerde diagnostiek. Basisdiagnostiek verwijst naar een minimum aan diagnostische competentie waarover iedere klinische psycholoog dient te beschikken, terwijl gespecialiseerde diagnostiek verwijst naar diagnostische handelingen die verdere postacademische vorming vereist. We kunnen hiervoor inspiratie halen bij onze noorderburen. In Nederland is er immers een opvallende voorwaarde om de opleiding tot gz-psycholoog aan te vatten: de kandidaat moet behalve het masterdiploma en de klinische stage minstens drie diagnostische praktijkcasussen onder supervisie met een voldoende beoordeling hebben afgerond. Dit is een voorwaarde waar afgestudeerde masters in de (klinische) psychologie in Vlaanderen niet aan moeten voldoen. Het lijkt me zinvol om dergelijke voorwaarde ook hier te implementeren.

In de tweede plaats is het belangrijk dat gespecialiseerde instellingen zoals het Psychodiagnostisch Centrum (Thomas More) over voldoende middelen beschikken om blijvend te kunnen investeren in het aanpassen, hernormeren en psychometrisch op punt stellen van diagnostisch testmateriaal. De klinische praktijk heeft sinds jaar en dag te kampen met verouderd testmateriaal. Het aanbieden en up-to-date houden van een overzichtelijk en actueel aanbod van diagnostisch materiaal is bijzonder zinvol. Daarnaast dient ook blijvend (en toenemend) te worden geïnvesteerd in het aanpassen van testen naar Vlaamse normen. Nog te vaak wordt in de praktijk gebruik gemaakt van buitenlandse normen, wat tot (soms ernstige) interpretatiefouten kan leiden. Instrumenten die dagelijks worden gehanteerd in de praktijk en waarop belangrijke beslissingen worden gebaseerd moeten worden voorzien van Vlaamse normen. Dit zijn kostelijke en tijdsintensieve investeringen, maar ze zijn absoluut noodzakelijk om kwalitatieve diagnostiek mogelijk te maken.

In de derde plaats is een belangrijke rol weggelegd voor de beroepsverenigingen. Ik ben blij vast te stellen dat de Belgische Federatie van Psychologen over een sectie Psychodiagnostiek beschikt. Het lijkt me belangrijk dat deze sectie fors investeert in zichtbaarheid, en actief aan de slag gaat met het uitwerken en uitdragen van psychodiagnostische knowhow. Teams met weinig expertise op diagnostisch vlak zouden gebaat zijn bij een kwalitatief en up-to-date psychodiagnostisch instrumentarium. Het zou ook zinvol zijn om praktijkgerichte richtlijnen die specifiek op diagnostisch handelen zijn toegespitst uit te werken en uit te dragen naar alle erkende psychologen. Ten slotte dient de sectie Psychodiagnostiek verder te gaan in de stappen die reeds zijn gezet. Het toekennen van kwaliteitslabels voor diagnostische testen is een goed initiatief. Maar waar is de verantwoording? Waar is de mogelijkheid tot raadpleging van de beoordelingen door deze sectie? De kwaliteitsgarantie van de psycholoog is gewaarborgd door het erkenningssysteem van de psychologencommissie, met lidkaarten en QR-codes tot gevolg. Dit soort kwaliteitsgarantie en verantwoording moet eveneens worden geïmplementeerd binnen de psychodiagnostische praktijk.

De verwaarlozing van de psychodiagnostiek is een ernstig en jammerlijk feit. Het betekent immers een pijnlijke verarming van de klinisch psycholoog. Laat ons hopen dat de juiste investeringen en veranderingen niet te lang op zich laten wachten.

Auteur: Steven Joris
Onderzoeker & klinisch psycholoog

Steven Joris

Steven Joris is klinisch psycholoog (erkenningsnummer 901118073) en onderzoeker. Steven is werkzaam binnen het Psychodiagnostisch Centrum (Thomas More Antwerpen) en is tevens werkzaam als psychodiagnosticus op zelfstandige basis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *