Introversie, extraversie en persoonlijkheidsstoornissen

De begrippen introversie en extraversie zijn voor het eerst geformuleerd in 1921 door de Zwitserse psychiater en psychotherapeut Carl Gustav Jung, nu bijna een eeuw geleden. Jung (1971) gaf aan dat het onderscheid tussen introversie en extraversie te maken heeft met de richting waarin mensen hun aandacht oriënteren en de plaats waar zij hun energie vandaan halen. Iemand die extravert is heeft een sterkere neiging om zijn of haar energie te richten op de externe wereld van mensen en dingen, terwijl iemand die introvert is de neiging heeft om zijn of haar energie te richten op de interne wereld van gedachten en ideeën. Volgens het typologische model van Jung bezitten mensen hierin een dominante voorkeur die aangeboren of ontwikkeld is, waardoor mensen kwalitatief kunnen worden geclassificeerd op vlak van introversie en extraversie (Jung, 1971). Volgens moderne opvattingen is extraversie echter een bipolaire dimensie of continuüm (McCrae et al., 2006). Het idee dat introversie en extraversie een continuüm vormen impliceert dat een hoge score op het ene een lage score op het andere vereist, maar dat beide factoren deel uitmaken van de globale persoonlijkheid. De dimensionele benadering laat ten slotte ook ruimte voor wat men ‘ambiversie’ noemt. Een ambivert zou iemand zijn die zich ongeveer in het midden van het continuüm bevindt, waarbij de kenmerken van introversie en extraversie ongeveer in gelijke mate aanwezig zijn (Cohen & Schmidt, 1979).

Er zijn aanwijzingen dat er van de introversie-extraversie dimensie een belangrijke invloed kan uitgaan op het menselijk cognitief, affectief en/of gedragsmatig (dis)functioneren. We stellen ons de vraag of deze invloed ook te merken is op vlak van de persoonlijkheidsstoornissen. Het lijkt intuïtief immers aannemelijk dat persoonlijkheidsstoornissen in meerdere of mindere mate disfunctionele uitingen zijn van achterliggende fundamentele persoonlijkheidskenmerken. Dit gegeven wordt misschien nog het best onder woorden gebracht door Wiggins en Pincus (1989, p. 305), die in hun paper het volgende hebben gezegd: “A complete lack of convergence between the [axis II diagnostic criteria and personality traits] would call into serious question either (a) the definition of disorders in terms of traits (b) the assumption that disorders are inflexible or maladaptive manifestations of traits.” Wiggins en Pincus (1989) hebben via multivariate analyse de relatie tussen persoonlijkheidsdimensies en persoonlijkheidsstoornissen onderzocht en de convergentie die deze auteurs vooropstellen blijkt er wel degelijk te zijn. Door gebruik te maken van de Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI) en de Personality Adjective Checklist hebben zij persoonlijkheidsstoornissen trachten te begrijpen tegen de achtergrond van persoonlijkheidsdimensies, welke in kaart zijn gebracht aan de hand van de NEO Personality Inventory (NEO-PI). De mate van multivariate convergentie tussen beide domeinen was het hoofddoel. Uit de resultaten is gebleken dat extraversie correleert met de theatrale (histrionische) persoonlijkheidsstoornis en dat introversie correleert met de schizoïde en vermijdende persoonlijkheidsstoornissen. De introversie-extraversie dimensie zou ten slotte ook een component zijn van de antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Het onderzoek van Wiggins en Pincus (1989) heeft de relatie tussen diagnostische criteria en persoonlijkheidskenmerken aangescherpt en de rol die normale persoonlijkheidstrekken spelen binnen de concepties van persoonlijkheidsstoornissen benadrukt. Daarnaast hebben zij de introversie-extraversie dimensie in verband kunnen brengen met specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Bovendien staan Wiggins en Pincus hier niet alleen in. Met name het onderzoek van Saulsman en Page (2004) is interessant: zij hebben in een meta-analyse getracht een overzicht te geven van de relatie tussen het Five Factor Model en persoonlijkheidsstoornissen, en hieruit blijkt dat een groot aantal onderzoekers tot dezelfde bevindingen is gekomen als Wiggins en Pincus: extraversie correleert het meest met de narcistische en histrionische (theatrale) persoonlijkheidsstoornissen, en introversie correleert het meest met de schizoïde, schizotypische, en vermijdende persoonlijkheidsstoornissen. Wanneer we deze resultaten ruimer bekijken kunnen we vaststellen dat introversie sterker correleert met cluster A en cluster C diagnoses dan extraversie. Deze meta-analyse ondersteunt het idee dat de introversie-extraversie dimensie in duidelijk verband kan worden gebracht met een aantal specifieke persoonlijkheidsstoornissen en dat dit verband door diverse onafhankelijke onderzoekers, doorheen de jaren, is kunnen worden vastgesteld.

De verhoogde prevalenties binnen de introversie-populatie van zowel de vermijdende als de schizoïde persoonlijkheidsstoornis hoeft niet te verbazen. In de eerste plaats zijn er duidelijke overlappingen tussen beide stoornissen. De concepties van beide stoornissen steunen immers op een fundamenteel afstandelijk-introverte interpersoonlijke stijl (Wiggins & Pincus, 1989). Wanneer we kijken naar de vermijdende persoonlijkheidsstoornis stellen we vast dat een standvastig patroon van sociale inhibitie, gevoelens van minderwaardigheid en extreme gevoeligheid aan negatieve evaluaties centraal staan (American Psychiatric Association, 2013). Verlegenheid, een begrip dat opmerkelijk vaak aan introversie wordt verbonden (o.a. Butcher, Dahlstrom, Graham, Tellegen & Kaemmer, 1989; Saucier, 1994; Thompson, 2008), komt in essentie neer op vrees voor sociaal oordeel en zou sociale inhibitie of teruggetrokken gedrag in de hand kunnen werken (Eisenberg, Fabes & Murphy, 1995). Op deze manier zou een overdrijving van verlegenheid een drijvende kracht kunnen zijn binnen de ontwikkeling van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Wanneer we kijken naar de schizoïde persoonlijkheidsstoornis, dan zouden verlegenheid of teruggetrokken gedrag eveneens belangrijke factoren kunnen zijn binnen het begrijpen of verklaren van afstandelijkheid in sociale contacten of een voorkeur voor solo-activiteiten, welke centrale kenmerken zijn van deze persoonlijkheidsstoornis (American Psychiatric Association, 2013). Toch zijn er ook verschillen tussen beide stoornissen: de vermijdende persoonlijkheidsstoornis hangt duidelijk samen met een mate van verhoogd zelfbewustzijn (e.g. gevoelens van schaamte) en depressiviteit, wat minder of niet het geval is bij de schizoïde persoonlijkheidsstoornis (Wiggins & Pincus, 1989). Daarnaast stellen we vast dat mensen met een vermijdende persoonlijkheidsstoornis doorgaans contact uit de weg gaan uit vrees voor afwijzing, maar desondanks toch een sterke behoefte ervaren om aansluiting te vinden bij anderen. Deze behoefte is doorgaans niet te vinden bij mensen met een schizoïde persoonlijkheidsstoornis (American Psychiatric Association, 2017). Ten slotte is er nog de schizotypische persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis laat zich in niet onbelangrijke mate kenmerken door sociale angst en interpersoonlijke geslotenheid (American Psychiatric Association, 2013). Hoewel de schizotypische persoonlijkheidsstoornis in hoofdzaak wordt gekenmerkt door afwijkende of buitenzintuigelijke opvattingen en gedragingen, en introvert-interpersoonlijke aspecten eerder secundaire kenmerken zijn van deze stoornis, is een verband tussen deze en introversie door verschillende onderzoekers vastgesteld.

Wat extraversie betreft kan deze persoonlijkheidstrek worden beschouwd als een eerder open of naar buiten gerichte houding waarbij assertiviteit of een mate van toegankelijkheid naar anderen toe centraal staat (Eysenck, 1967; Cattell et al., 1970; Butcher, 1989; Goldberg, 1992; Saucier, 1994; Myers, 1995; Doddema-Winsemius, 1997; McCrae, 2005; Thompson, 2008). Mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis komen op gedragsmatig vlak doorgaans over als enthousiast, levendig en uitbundig, welke gedragingen of kenmerken zijn die veelvuldig en karakteristiek in verband worden gebracht met extraversie (Saucier, 1994; Doddema-Winsemius & De Raad, 1997; Thompson, 2008) en hiermee sterk aansluiten bij typisch histrionische kenmerken zoals assertiviteit, warmte en prikkelzoekend gedrag (Wiggins & Pincus, 1989).

Auteur: Steven Joris

Referenties
Jung, C. G. (1971). Psychological types. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. Geraadpleegd op http://www.iaap.org
McCrae, R., Terracciano, A., Costa, P., & Ozer, D. (2006). Person-factors in the California adult Q-set: Closing the door on personality types? European Journal of Personality, 20, 29-44.
Cohen, D., & Schmidt, J. P. (1979). Ambiversion: Characteristics of midrange responders on the introversion-extraversion continuum. Journal of Personality Assessment, 43(5), 514-516.
Wiggins, J. S., & Pincus, A. L. (1989). Conceptions of personality disorders and dimensions of personality. Psychological Assessment, 1(4), 305-316.
Saulsman, L. M., & Page, A. C. (2004). The five-factor model and personality disorder empirical literature: A meta-analytical review. Clinical Psychology Review, 23, 1055-1085.
American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th. ed.). Washington, DC: Author.
Butcher, J. N., Dahlstrom, W. G., Graham, J. R., Tellegen, A., & Kaemmer, B. (1989). The Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2 (MMPI-2): Manual for administration and scoring. Minneapolis, MN: University of Minnesota Press.
McCrae, R. R., Costa, P. T., & Martin, T. A. (2005). The NEO PI-3: A more readable revised NEO personality inventory. Journal of Personality Assessment, 84(3), 261-270.
Eisenberg, N., Fabes, R., & Murphy, B. (1995). Relations of shyness and low sociability to regulation and emotionality. Journal of Personality and Social Psychology, 68(3), 505-517.
Eysenck, H. J. (1967). The biological basis of personality. C. C. Thomas, Springfield. Geraadpleegd op http://www.books.google.be
Cattell, R. B., Eber, H. W., & Tatsuoka, M. (1970). Handbook for the sixteen personality factor questionnaire. Champaign, IL: Institute for Personality and Ability Testing.
Myers, I., & Myers, P. (1995). Gifts differing: Understanding personality type. Mountain View, CA: Davies-Black Publishing. Geraadpleegd op http://www.books.google.be
Doddema-Winsemius, M., & De Raad, B. (1997). De Big 5 Persoonlijkheidsfactoren. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Thompson, E. R. (2008). Development and validation of an international English Big-Five mini-markers. Personality and Individual Differences, 45(6), 542-548.

Steven Joris

Steven Joris is klinisch psycholoog (erkenningsnummer 901118073) en onderzoeker. Steven is werkzaam binnen het Psychodiagnostisch Centrum (Thomas More Antwerpen) en is tevens werkzaam als psychodiagnosticus op zelfstandige basis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *